Het leed dat klein zijn heet


Ik en een kerkklok. Oneerlijk voorbeeld, ik weet het!

 

Ooit, in een ver verleden, had de kinderarts nog goede hoop voor mij. Ik zou namelijk wel één meter zeventig worden volgens haar. “HA!”, dacht mijn eigenwijze lichaam toen. “Dat zullen we nog wel eens zien.” En ergens rond de één meter zestig en negen millimeter stopte mijn lichaam met groeien. De trieste waarheid is, helaas, dat ik slechts 112 centimeter ben gegroeid sinds mijn geboorte. En dat is heel weinig als je erover nadenkt.

Nu is het leven als kleine medemens best vol te houden in Nederland. Oké, er zijn wel frustraties. Zo heeft mijn lengte een speciaal soort aantrekkingskracht, waardoor lange mensen altijd voor mij gaan staan of zitten bij een concert of in de bioscoop. Op ieder feestje word ik gebruikt als steunpilaar. En daarbij moet ik zeggen, iedereen die nog grappig of origineel denkt te zijn met de opmerking “oh jouw schouder heeft precies de juiste hoogte om op te leunen” : velen gingen je al voor met die opmerking.

Maar goed, verder is het prima te doen. Oké, misschien zijn er nog wel meer dingetjes. Zo krijg ik regelmatig opmerkingen over mijn babyvingertjes (“Wow jouw handen zijn echt klein.”). En ik kan nergens fatsoenlijk zitten, want mijn voetjes bungelen altijd boven de grond. Sterker nog, in mijn eigen flatje heb ik een wc die eigenlijk voor rolstoelgebruikers is bedoeld. Gevolg: ik kan niet met mijn voeten bij de grond als ik op de wc zit. Dan voel ik mij wel even een klein kind.

Maar verder valt het wel mee. Goed, er zijn nog één paar minpuntjes. Ik kan bijvoorbeeld geen maxi-jurk aan, ook al vind ik die geweldig, want ja daar verzuip ik in. En natuurlijk, met mijn korte lengte moet ik uitgerekend een lange vriend hebben. Mijn vriend is namelijk één meter vijfennegentig, gelijk het andere uiterste. Resultaat: we zien er altijd sullig uit samen. Zijn hand is tien keer groter dan de mijne, waardoor ik niet mijn hand in de zijne kan schuiven (snap je wat ik bedoel?). En als hij loopt, moet ik er altijd achter aan rennen. Want voor elke stap die hij zet, moet ik met mijn korte beentjes twee stappen zetten. En oh ja, één van ons heeft altijd nekpijn als we elkaar aan kijken. En foto’s samen zien er altijd scheef uit.

Toch kan ik dit alles doorstaan. Ik doorsta de opmerkingen, de bungelende voetjes en het leven met mijn mega lange vriend. Allemaal prima. Maar helaas bereikte ik laatst een nieuwe dieptepunt.

In de supermarkt stond de pesto in het allerhoogste schap. En met mijn mini-lengte kon ik er dus niet bij. Ik springen en hupsen, maar geen enkele voorbijganger schoot mij te hulp. Eén iemand schudde zelfs lachend zijn hoofd, om vervolgens snel verder te lopen. Wanhopig zocht ik in de supermarkt naar een medewerker. Uiteindelijk vroeg ik een vijftienjarige vakkenvuller, die drie koppen groter was dan ik, om hulp. Zonder enige moeite haalde hij de pesto uit het schap en gaf het aan mij. Niet lang daarna ging mijn telefoon af. Met het beetje eigenwaarde dat ik nog over had, las ik het appje van mijn mega lange vriend:

Laat maar, we hebben geen pesto meer nodig.

Stond ik daar.


Een reactie plaatsen

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

CommentLuv badge

11 gedachten over “Het leed dat klein zijn heet